Ga naar de hoofdcontent Pijl naar beneden icoon
Jolanda van Dijk

Jolanda van Dijk

adviseur organisatieontwikkeling

Alice in verenigingsland

De organisatie van de toekomst, is die al uitgevonden? We constateren dat de vereniging van nu niet meer de organisatie van de toekomst zal zijn en dat het klassieke lidmaatschap achterhaald is.

Tja, en dan? Een andere richting op gaan is nodig. Dat brengt ons op onbekend terrein. De neiging om terug te vallen op het vertrouwde is groot, zelfs als geconstateerd wordt dat het niet meer werkt. Wat dan wel?

‘Kunt u mij misschien zeggen welke kant ik uit moet gaan?’ ‘Dat hangt er nogal van af waar je heen wilt,’ zei de Kat.

Vorige week luisterde ik naar een lezing van Brechtje Kessener, product- en organisatieontwerper. Zij nodigde de zaal uit om nieuwsgierig het onbekende te betreden. Als Alice in Wonderland die “Dat weet ik niet” antwoordt op de vraag “Waar wil je heen?” Het bewust hanteren van het onbepaalde hoort bij ontwikkelen, ook al is dat onwennig en soms zelfs angstaanjagend.

Verkeerde prikkels

In de non-profit hebben we een paar organisatievormen omarmd met elkaar. Er zijn stichtingen en verenigingen. Initiatieven die hier niet aan voldoen worden overgeslagen bij het uitdelen van projectgelden en subsidies. Vindt een groep mensen elkaar op een andere manier, dan zijn ze genoodzaakt om een formele organisatievorm te kiezen om als gesprekspartner aan te mogen schuiven. Nieuwe initiatieven worden in dit systeem geperst. En zo houden we elkaar in de greep.

‘Het kan me niet schelen waar ik heen ga,’ zei Alice. ‘Dan geeft het ook niet veel welke kant je uit gaat,’ zei de Kat. ‘Zolang ik ergens terecht kom,’ voegde Alice er ter verduidelijking aan toe.

Open toekomst

Stel, de toekomst ligt open en je mag opnieuw beginnen. Niet gehinderd door vaste gewoontes en opvattingen mag je onderzoeken wat je voor wie, waarom wilt doen.
Welke vragen hoor je en welke zijn er nog meer? Welke klantgroepen zijn geïnteresseerd? Wat willen zij? En waarom willen ze dat? Wat is hun vraag? Wat is hun probleem? Wat is de relevantie? Wat is de noodzaak?
Pas nadat de 'wie' en 'wat' vragen zijn beantwoord komt de 'hoe' vraag aan de beurt. Eerst functie, dan de vorm.

‘O, je komt zeker wel ergens,’ zei de Kat, ‘als je maar lang genoeg loopt.’